- Alle secties.
- Opinie (3)
|
‘Education cannot compensate for society’ stelde Bernstein in 1970. Met die uitspraak wou de Britse socioloog duidelijk maken dat het schoolsysteem zich weer op haar kerntaken moest concentreren en de opvoedende taken, zoals opvang na de schooluren en het organiseren van sociale activiteiten ten voordele van de minderbedeelden, moest laten varen want ze tastten de kwaliteit van onderwijs aan. Leerkrachten worden teveel belast met het oplossen van wat zich buiten de schoolmuren afspeelt. Oplossen van armoede en uitsluiting waren volgens hem niet de taak van het onderwijs, enkel de gedegen kennisoverdracht behoorde daartoe. Dit geeft een sterk déjà vu-gevoel bij het huidige pleidooi van velen voor een ‘terugkeer naar de essentie van onderwijs’. Aan de basis gaat het over de immer voortdurende stress tussen 2 polen: de focus op kennisoverdracht enerzijds en het bijkomstig actief creëren van kansen en ontwikkelingsmogelijkheden voor kinderen die een ongelijke start kennen anderzijds. Die slinger beweegt sinds de geëngageerde jaren 60 regelmatig van de ene pool naar de andere. Een nieuw schooljaar, nieuwe regels. In Antwerpen moet 10% van de kinderen die de nieuwe taalproef hebben afgelegd, de 3de kleuterklas overdoen omdat ze niet geslaagd zijn. Sinds dit schooljaar is een nieuwe regel in voege waarbij kinderen pas naar het 1ste leerjaar mogen als ze voldoende aanwezig waren in de 3de kleuterklas (minstens 220 halve dagen) of als ze slagen voor een taalproef die moet aantonen dat ze het Nederlands voldoende machtig zijn. Dat wil zeggen dat 90% van de Antwerpse kleuters die niet voldoende aanwezig waren in de kleuterklas toch slaagt voor de taalproef. Goede resultaten dus. Maar hoe komt het dan dat vandaag 1 op 2 van de anderstalige jongeren of jongeren met een vreemde nationaliteit geen getuigschrift haalt in het middelbaar onderwijs? Gek toch?
Taalachterstand leidt tot onderwijsachterstand. Zoveel is zeker, en dat wordt nogmaals herhaald door Gents onderzoeker Jan Peeters (DS,16/3). Er bestaat bovendien een duidelijk verband met kansarmoede. Kinderen uit armere gezinnen, ongeacht hun culturele achtergrond, kennen tweemaal minder woorden dan kinderen uit gegoede gezinnen. De focus wordt gelegd op het belang van voldoende en degelijke kinderopvang. Dit is een juiste analyse. Echter, de beleidsvoorstellen die daarop volgen raken volgens mij de kern van het probleem niet. Zo wordt er gepleit voor meer aanbod aan kinderopvang tout court. Dit lijkt me een eenzijdige benadering. Er is zeker een grotere vraag naar kinderopvang maar die vraag komt vooralsnog niet van kansarme ouders. Wel van middenklasse tweeverdieners die tijdens de werkuren degelijke opvang wensen voor hun oogappel. Dat is zowel economisch als sociaal een terechte zorg. Maar wat met de vraag naar meer kinderopvang bij kansarme ouders? Die is volgens mij ondermaats. Het zijn niet de armere ouders die staan te roepen voor meer opvang, en bij uitbreiding meer kleuteronderwijs. Nochtans wringt net daar het schoentje. De aanwezigheid van kansarme peuters in kindertuinen mag problematisch genoemd worden. De situatie wordt nog prangender in de kleuterklasjes. |


